oktober 2011

Geen commentaar

“Waarom laat jij geen reacties toe op je blog?”, vroeg een bevriende journaliste me.
“Ach,” antwoordde ik. “Dat geeft alleen maar gedoe.”

Toch is dat tegenstrijdig. Want in mijn zucht naar aandacht en erkenning promoot ik elke scheet die ik schrijf direct op twitter, facebook en linked-in. Om vervolgens een paar keer per dag (oké, elke 10 minuten) te checken of er weer nieuwe reacties binnen zijn.

In diezelfde zucht naar erkenning, stuurde ik onlangs een ‘ikje’ op naar het NRC. Voor wie het niet kent: dat is een waargebeurde anecdote in maximaal 120 woorden. Groot was mijn vreugde toen het stuk geplaatst werd. Een vrij cru maar tegelijkertijd lachwekkend verhaal over mijn oude Indische omaatje.

Naast twitter, facebook en linked-in kon ik nu op nrc.nl kijken of mensen reageerden. Dat deden ze. En hoe. Het begon complimenteus maar verzandde al snel in een hoogoplopende discussie over A. (ik verzin dit niet) de lengte van mijn omaatje en B. mijn leugenachtige karakter.

“Het is wél waar!” riep ik tegen mijn scherm. “En mijn oma is géén eng mens!” Maar ik voelde er niets voor om in discussie te gaan met deze ‘beroeps-reageerders’ wiens namen ook onder alle eerder gepubliceerde ikjes opdoken.

Als ik al zin had om reacties op mijn eigen site toe te laten, dan verging me die dag de lust wel. En zo denk ik er nog steeds over. Wie me DEAUD wil, mag me bellen.

Lees hier mijn ikje. En laat gerust een reactie achter.

De tut is terug

De tut is terug, kopt de Linda deze maand. En ze is te herkennen aan de achternaam van haar man. Een man die nauwelijks weet hoe de wasmachine werkt, nooit kookt en niets met de kinderen doet. Omdat hij werkt. En zij niet. Maar hún kinderen worden tenminste niet crimineel, aldus de tut.

Ondertussen verkondigt journaliste Malou van Hintum op vk.nl dat Nederlandse vrouwen op de zak van hun man teren. Ik ben het eens met alles wat ze schrijft. Tot ik haar conclusie lees: “Een behoorlijk inkomen biedt je ook de lol van zomaar een keer je lief verrassen met een uitje, of een glas champagne. Best leuk!” Tuttiger had ik het zelf niet kunnen bedenken.

Volgens mij vergeten Linda en Malou iets. De terugkeer van de luie tut kan maar één ding betekenen: de wederopstanding van de belegen bal. Zo eentje die stiekem altijd al het rolbevestigende bestaan van zijn ouders begeerde. En die dat zomaar in de eeuw van het power feminisme toch mooi voor elkaar heeft. Grappig genoeg buitelt er geen enkele columnist over hém heen.

Vorige week volgde mijn eigen ‘lief’ een cursus kinder-EHBO op school. Als enige man. Niet omdat dat van mij moest, maar omdat hij graag weet wat hij moet doen als zijn zoon van 6 uit de boom valt of zijn dochter van 3 in een knikker stikt. Hij doet trouwens ook de was, hij kookt en de juffen zien hem vaker dan mij. Dus draag ik met plezier zijn achternaam.

 

 

De wet van Aaf

“Terwijl Elise nog even gaat kotsen, zal ik wat do’s en dont’s met jullie doornemen,” zegt Volkskrant columniste Aaf Brandt Corstius als ik op de w.c. mijn ademhaling op yogales niveau probeer te krijgen. Ik ben bij haar masterclass columnschrijven en heb net gehoord dat ik mijn ingezonden verhaal mag voordragen. Aan 50 man. Niet mijn hobby.

Nadat ik het heb voorgelezen, zegt Aaf: “Lees ‘m nu nog eens, maar dan zonder die laatste twee zinnen.”
Ik sta versteld. Opeens is mijn column precies zoals hij moet zijn.

Vanaf dat moment geldt voor mij de wet van Aaf. In bijna alle gevallen wordt je tekst sterker als je op tijd stopt. Sowieso zijn de meeste blogs op Internet veel te lang – een ergernis die ik met haar deel. 400 woorden max., als je tenminste je lezer niet wil verliezen. Andere dont’s van Aaf zijn: schrijven over je eigen schrijfproces (saai), over je eigen successen (ijdel) en klagen over een Ikea-handleiding danwel de NS (cliché).

Een paar maanden later win ik met dezelfde column de Verhalenwedstrijd van J/M Magazine. Eigenlijk mag ik dat hier niet vertellen, want volgens Aaf is dat dus ijdel. Maar Aaf heeft makkelijk praten. Die ís al Aaf.

Lees hier mijn winnende column.