“Waarom laat jij geen reacties toe op je blog?”, vroeg een bevriende journaliste me.
“Ach,” antwoordde ik. “Dat geeft alleen maar gedoe.”
Toch is dat tegenstrijdig. Want in mijn zucht naar aandacht en erkenning promoot ik elke scheet die ik schrijf direct op twitter, facebook en linked-in. Om vervolgens een paar keer per dag (oké, elke 10 minuten) te checken of er weer nieuwe reacties binnen zijn.
In diezelfde zucht naar erkenning, stuurde ik onlangs een ‘ikje’ op naar het NRC. Voor wie het niet kent: dat is een waargebeurde anecdote in maximaal 120 woorden. Groot was mijn vreugde toen het stuk geplaatst werd. Een vrij cru maar tegelijkertijd lachwekkend verhaal over mijn oude Indische omaatje.
Naast twitter, facebook en linked-in kon ik nu op nrc.nl kijken of mensen reageerden. Dat deden ze. En hoe. Het begon complimenteus maar verzandde al snel in een hoogoplopende discussie over A. (ik verzin dit niet) de lengte van mijn omaatje en B. mijn leugenachtige karakter.
“Het is wél waar!” riep ik tegen mijn scherm. “En mijn oma is géén eng mens!” Maar ik voelde er niets voor om in discussie te gaan met deze ‘beroeps-reageerders’ wiens namen ook onder alle eerder gepubliceerde ikjes opdoken.
Als ik al zin had om reacties op mijn eigen site toe te laten, dan verging me die dag de lust wel. En zo denk ik er nog steeds over. Wie me DEAUD wil, mag me bellen.
Lees hier mijn ikje. En laat gerust een reactie achter.
